Stageconcept - LKO3
De module Stage 3 – klas is binnen de opleiding opgebouwd uit een aantal terugkerende elementen: observeren en participeren, actief handelen tijdens actieve stagemomenten en het opnemen van verantwoordelijkheid voor de klaswerking tijdens de actieve stageweken.
Tijdens de halve stagedagen wisselen observeren en participeren en actieve stagemomenten elkaar af. De student leert de klascontext en de kleuters gericht kennen, doet ervaring op en neemt geleidelijk meer verantwoordelijkheid op. Deze halve stagedagen vormen zo een doelgerichte voorbereiding op de actieve stageweken.
Tussen de stageperiode van semester 1 en semester 2 valt een periode van 3 weken waarin de student nieuwe inzichten opdoet om zijn komende stage-ervaringen te verbreden en te verdiepen. De student bereidt zich enerzijds voor op het uitwerken en uitvoeren van de bachelorproef en krijgt anderzijds de kans om zich verder uit te dagen en te ontwikkelen binnen de thema’s die centraal staan in de verschillende keuzemodules.
In semester 2 wordt opnieuw voortgebouwd op deze terugkerende elementen. De student doorloopt opnieuw observatie- en participatiemomenten en actieve stagemomenten, die uiteindelijk leiden naar de uitgroeistage. Zo keren dezelfde stage-elementen doorheen de module terug, maar neemt de verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en complexiteit van het handelen van de student geleidelijk toe.
De beroepsrollen die in deze module centraal staan zijn:
- Rol 1 – leraar als begeleider van ontwikkelingsprocessen
- Rol 2 – leraar als opvoeder
- Rol 3 – leraar als inhoudelijk expert
- Rol 4 – leraar als organisator
- Rol 5 – leraar als innovator
- Rol 11 – ondernemingsgezinde leraar
Tijdens semester 1 staan de studenten bij de oudste kleuters en worden ze enerzijds uitgedaagd om op niveau van de oudste kleuters te werken én anderzijds om bewust aandacht te besteden aan voorbereidende activiteiten voor het eerste leerjaar. Tijdens semester 2 krijgen de studenten de vrije keuze voor de doelgroep waar ze stage lopen.
In het eerste semester werken alle studenten hun actieve 2 weken ook volgens de principes van themaplanning uit, in semester 2 kiezen ze in overleg met de mentor – om aan te sluiten bij de klasvisie-en werking – uit de drie volgende manieren om hun stage vorm te geven:
- werken vanuit themaplanning
- werken zonder thema
- werken vanuit een sprokkelperiode om samen met de kleuters een thema uit te werken
Binnen de module stage 3 – school werkt de student aan competenties die de rol van de klasmentor overstijgen. De student krijgt de kans om te ervaren wat er van een leerkracht wordt verwacht als lid van een schoolteam en als professional die mee verantwoordelijkheid opneemt voor de bredere schoolvisie-en werking. Binnen deze module kijkt de student over de grenzen van de eigen klas heen en werkt hij of zij samen met verschillende partners binnen en buiten de school. Denk bijvoorbeeld aan samenwerken met collega’s en ouders, participeren aan een werkgroep of initiatief op schoolniveau, samenwerken met externe partners of zich verdiepen in actuele onderwijskundige en maatschappelijke thema’s en hierover een onderbouwd standpunt ontwikkelen.” De student krijgt krijtlijnen vanuit de opleiding aangereikt en bepaalt samen met de mentor welke taken invulling geven aan de schoolbrede opdrachten die deel uitmaken van de module stage 3 ) school. Dit dus meer dan opdrachten die toevallig buiten de klas plaatsvinden. Ze bieden de student kansen om te participeren, samen te werken, initiatief te nemen en verantwoordelijkheid op te nemen op schoolniveau.
De student doorloopt hierbij voor de rol als partner van ouders en verzorgers, voor de leraar als lid van het schoolteam maar ook voor de leraar als partner van externen telkens drie fasen.
De terugkerende fasen zijn:
- De schoolcontext verkennen en begrijpen maar ook input vanuit relevante literatuur en output van wetenschappelijk onderzoek doornemen,
- zelf initiatief nemen en actief participeren
- reflecteren op de opgedane ervaringen en de eigen professionele groei.
Vanuit deze ervaringen werkt de student aan verschillende beroepsrollen:
- rol 6 – de leraar als partner van ouders en verzorgers
- rol 7 – de leraar als lid van het schoolteam
- rol 8 – de leraar als partner van externen
maar ook aan de beroepsrollen:
- rol 9 – de leraar als lid van de onderwijsgemeenschap
- rol 11 – de ondernemingsgezinde leraar
Alle derdejaarsstudenten zijn verplicht om een bachelorproef te maken die uitgetest wordt in de stageschool in semester 2 tijdens de uitgroeistage. In de bachelorproef wordt er een output uitgewerkt op maat van de stageklas. Studenten kiezen een onderwerp uit de aangereikte onderwijskundige thema’s.
In een eerste overleg tussen de student en de lector wordt het onderwerp verkend en biedt de lector bronnen aan zodat de student zich kan verdiepen in het onderwerp. Daarna stapt de student naar de stagementor van de uitgroeistage en bespreken de student en de mentor samen een meer specifieke richting van onderzoek, rekening houdend met de specifieke stagecontext. Tijdens het driehoeksgesprek met student, mentor en promotor, wordt vervolgens het opzet van de bachelorproef definitief afgebakend. Op die manier kan de student al snel het onderzoeksdoel en de centrale onderzoeksvraag met deelvragen definitief maken. Er wordt verwacht dat de student al in semester 1 regelmatig naar de uitgroeistageklas gaat, om de praktijkcontext te verkennen in functie van zijn onderzoek, om data te verzamelen, om overleg te plegen, … De student werkt in co-creatie met de mentor een ontwerp uit dat ook effectief wordt uitgetest in de stageschool van de uitgroeistage. Na de eerste drie weken van de uitgroeistage wordt het ontwerp aangepast aan de hand van de feedback van de mentor. In de laatste vier weken van de uitgroeistage wordt een verbeterde versie van de output uitgevoerd.
Tijdens de contacturen onderzoek verduidelijkt de lector elke onderzoeksfase en rapportering aan de hand van enkele voorbeelden. De studenten doorlopen het onderzoeksproces via de opdrachtfiches per onderzoeksfase. Verder krijgen de studenten ruimte tijdens de intervisies om eigen toepassingen te delen met elkaar en te bespreken. De student licht de mentor in over de tussentijdse deadlines van indienen en laat de mentor de planning ondertekenen. Op die manier is de mentor op de hoogte van het verwachte proces.
Bij de evaluatie van de bachelorproef is de mentor niet betrokken. De eindevaluatie gebeurt na een mondelinge presentatie, in overleg met promotor, interne lezer en een onafhankelijk extern jurylid uit het werkveld. Hierbij worden zowel het onderzoeksproces als de geschreven output geëvalueerd aan de hand van evaluatiecriteria.
Hieronder vind je de evaluatiecriteria omtrent de output:
- De student ontwikkelt een duurzame output die innovatief is en een praktijkrelevant antwoord biedt op de onderzoeksvraag.
- De student houdt rekening met alle ontwerpeisen bij het uitwerken van een praktijkrelevante oplossing.
- De student test (samen met de partner) de output grondig.
- De student maakt een uitgebreide analyse van de bevindingen en doet nodige bijsturingen.

Marie Vandebroek
Mentoren of directies die graag deel zouden uitmaken van de externe jury bij de bachelorproeven mogen hiervoor ook altijd contact opnemen met Marie Vandebroek.
Een onderwerp uitwerken tot thema (thematiseren) is een gekende manier van werken in het kleuteronderwijs. Het doel is aansluiten bij de interessewereld (de belangstelling) van het kind, bij onderwerpen die de kinderen boeien. Door die onderwerpen uit te werken tot thema’s leren kleuters de wereld waarin ze opgroeien kennen en krijgen die onderwerpen betekenis. In de opleiding spreken we van ‘themaplanning’.
Bij themaplanning bepalen niet alleen de leerplandoelen en de kenmerken van de doelgroep het activiteitenaanbod, maar ook het gekozen thema of het belangstellingspunt. Wel staat doelgericht werken centraal: het leerplan is het referentiekader en het startpunt bij het uitwerken van het gekozen thema. De student vertrekt vanuit vooraf geselecteerde en gepaste leerplandoelen en het thema wordt mee ingezet om die doelen na te streven bij de kleuters. Het verkennen van het thema is daarbij belangrijk om een beter begrip van de werkelijkheid rond het gekozen onderwerp te realiseren bij de kleuters. Naast het bepalen van de bedoelingen van het thema (doelen met inhouden), gaat de student brainstormen over de inhoud van het thema (aspecten en deelaspecten) en nadenken over de betekenissen voor kleuters (welke ervaringen heeft de groep met het onderwerp, welke interesses leven er in de groep, hoe kan de buitenschoolse werkelijkheid bij het thema betrokken worden, welke concrete voorwerpen zijn er beschikbaar, welke handelingen zijn er mogelijk). De student zorgt er uiteindelijk voor dat de verschillende onderwijsleeractiviteiten met elkaar verbonden zijn, ‘binnen’ het thema (= clusteren).
Via themaplanning reikt de student onderwerpen en activiteiten aan die voor kleuters interessant en betekenisvol zijn, die ontwikkelingswaarde hebben. Hoewel de leerkracht eerder een sturende rol heeft bij deze manier van werken, kan de mate van sturing verschillen (soms in meerdere en soms in mindere mate sturen). Zo voorziet hij verplichte activiteiten maar ook activiteiten waartoe de kleuters uitgenodigd worden en waarvoor ze kunnen kiezen, hij kan de kleuters betrekken bij het opbouwen van de speelleeromgeving of bij het invullen van het thema, in de hoeken zijn er meerdere spelmogelijkheden en gevarieerde materialen om tot leren te komen, …
In de opleiding vragen we de student ook om observatiemomenten in te plannen en om ‘witruimtes’ te voorzien in de weekplanning van themaplanning. Die witruimtes worden op een later moment ingevuld (tijdens de stage zelf), vanuit observatie en reflectie, rekening houdend met de interesses en de noden van de klasgroep, en met een koppeling aan het leerplan.
Binnen het werken zonder thema laten we de traditie van het thematisch werken los en vallen we terug op het fundament van de rijke leeromgeving, namelijk op het rijk basismilieu-hoeken en op de rituelen. De student bereidt naast rituelen vooral de hoeken voor, los van een thema (rijk basismilieu). Hij vertrekt daarbij ook vanuit vooropgestelde leerplandoelen en houdt rekening met betreffende doelgroep.
De student gaat tijdens zijn stageperiode werken zonder thema in de eerste plaats op zoek naar een antwoord op de volgende vragen:
- Staat mijn rijk basismilieu-hoeken op punt?
- Zijn de rituelen geautomatiseerd?
Observeren en reflecteren zullen dan ook een centrale plaats krijgen binnen het werken zonder thema. Door in te zetten op de observatie- en reflectiecyclus (stappen: focus van observatie kiezen – observeren en registreren – interpreteren en reflecteren – plannen van acties) neemt de student de tijd om na te gaan in welke mate het voorziene rijk basismilieu op punt staat en zet de student vervolgens systematisch en bewust in op actie en bijsturing.
Een van de mogelijke acties die de student kan doen doorheen de stageperiode en vanuit observatie en reflectie is het aanpassen van het rijk basismilieu-hoeken en/of de rituelen i.f.v. de behoeften van de kleuters.
Wanneer dat in orde is, maar de kwaliteit van spel van de kleuters in een hoek nog niet optimaal is, maakt de student bewuste keuzes op vlak van spelbegeleiding. In de opleiding maken we een duidelijk onderscheid tussen een meer leerkrachtgestuurd aanbod (begeleide verplichte activiteit en begeleide keuzeactiviteit) en een meer kindgerichte aanpak (spelbegeleiding tijdens vrij spel via de VVV-methodiek van Dorian de Haan: verkennen, verbinden en verdiepen) om het spel van de kleuters in een hoek te optimaliseren. Beide zullen deel uitmaken van het spelbegeleidingsaanbod.
Naast het investeren in het rijk basismilieu-hoeken en de rituelen krijgt de student tijdens werken zonder thema de tijd om zijn kleuters te leren kennen en om gerichte informatie in te winnen in functie van de ontwikkeling van de kleuters.
Op het moment dat het spel van de kleuters (en dus een hoek) verrijking nodig heeft, voorziet de student een verrijkingsaanbod gekoppeld aan de betreffende hoek, opnieuw vertrekkend vanuit een of enkele ‘nieuwe’ leerplandoelen. Die nood aan verrijking hangt samen met de duur van de stageperiode werken zonder thema en het spel van de kleuters. Het is belangrijk dat de student in de eerste plaats de tijd neemt voor het rijk basismilieu-hoeken en de rituelen, en het leren kennen van zijn kleuters.
De student kan er trouwens ook voor kiezen om via themaplanning te zorgen voor de nodige verrijking van het aanbod, waaronder de hoeken (in een daaropvolgende stageperiode).